ECLI:NL:CRVB:2021:3259
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag woonvoorziening op grond van WMO 2015 wegens ongeschikte woningkeuze
Appellant heeft een aanvraag ingediend voor een woonvoorziening in de vorm van een aanbouw aan zijn nieuw betrokken woning op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (WMO 2015). Het college van burgemeester en wethouders van Arnhem wees deze aanvraag af omdat appellant verhuisd was naar een woning die niet geschikt was voor zijn beperkingen. De rechtbank Gelderland verklaarde het beroep van appellant tegen deze afwijzing ongegrond.
De rechtbank oordeelde dat appellant op 1 november 2018 verhuisde naar een woning met een trap, terwijl hij reeds op 26 april 2018 bij het college had gemeld dat hij ergonomische beperkingen had bij het traplopen. Hierdoor kon appellant de essentiële woonfuncties niet zelfstandig benutten, wat de woning ongeschikt maakte. Appellant had door deze keuze niet ingespeeld op zijn beperkingen.
In hoger beroep voerde appellant aan het niet eens te zijn met deze beoordeling, onder meer omdat hij in 2018 een verhuiskostenvergoeding had ontvangen van het college. De Raad stelde vast dat ook aan deze vergoeding de voorwaarde was verbonden dat de verhuizing naar een geschikte woning moest zijn. Er waren geen bijzondere omstandigheden die verstrekking van de woonvoorziening rechtvaardigden.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom het oordeel van de rechtbank en het bestreden besluit van het college. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de woonvoorziening wordt bevestigd.