ECLI:NL:CRVB:2021:326
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van afwijzing verzoek persoonsgebonden budget in Wlz-zorg
Appellante, geboren in 1991, beschikte over een indicatie voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Het zorgkantoor verleende haar aanvankelijk een volledig pakket thuis voor 2016, maar trok dit besluit later in en verleende een modulair pakket thuis. Voor 2017 werd eveneens een modulair pakket thuis toegekend. Appellante had een aanvraag voor een persoonsgebonden budget (pgb) ingediend, maar deze was niet in behandeling genomen en zij diende daarna geen nieuwe aanvraag in.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellante tegen de besluiten van het zorgkantoor ongegrond. De rechtbank oordeelde dat appellante geen aanvraag had ingediend voor een pgb, meerzorg of een persoonlijk assistentie budget en dat het modulair pakket thuis voldoende zorg bood. Appellante stelde in hoger beroep geen nieuwe gronden naar voren en beperkte zich tot het herhalen van eerdere argumenten.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef de motivering van de rechtbank en bevestigde het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Er was geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten. De Raad verwees naar de eerdere overwegingen en maakte het oordeel van de rechtbank tot het zijne.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.