ECLI:NL:CRVB:2021:3265
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing late aanvraag compensatie zelfstandigen Tijdelijke Regeling
Appellante, een zelfstandige die in de periode 2005-2007 bevallen is, diende haar aanvraag voor compensatie op grond van de Tijdelijke Regeling op 17 oktober 2018 in, nadat de regeling op 15 mei 2018 in werking was getreden. Het UWV wees de aanvraag af wegens overschrijding van de fatale aanvraagtermijn die liep tot 1 oktober 2018.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat de regeling dwingendrechtelijk is en geen ruimte biedt voor uitzonderingen op de aanvraagtermijn. Appellante stelde in hoger beroep dat eerdere telefoongesprekken met het UWV als een premature aanvraag konden worden beschouwd en dat de termijnoverschrijding gelet op haar persoonlijke omstandigheden verschoonbaar was.
De Centrale Raad van Beroep volgde deze stellingen niet. De telefoongesprekken vonden plaats voordat de regeling bestond en voldeden niet aan het schriftelijkheidsvereiste. De Raad benadrukte dat de regeling bewust een beperkte aanvraagtermijn kent, die redelijk is gelet op de belangen van alle betrokkenen. Daarnaast is voldoende communicatie voorafgaand aan de regeling geweest.
De Raad concludeerde dat het UWV terecht de aanvraag heeft afgewezen en dat het hoger beroep moet worden verworpen. Er is geen aanleiding om de regeling of het besluit te vernietigen of de termijnoverschrijding door de vingers te zien.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de aanvraag wegens overschrijding van de aanvraagtermijn wordt bevestigd.