ECLI:NL:CRVB:2021:3289
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag zwangerschaps- en bevallingsuitkering zelfstandigen vóór inwerkingtreding Wet ZEZ
Appellante, werkzaam als zelfstandige, diende meerdere aanvragen in voor een zwangerschaps- en bevallingsuitkering (ZEZ) en compensatie in verband met haar bevalling in 2005. Deze aanvragen werden door het Uwv afgewezen omdat de Wet ZEZ pas in 2008 in werking trad en appellante niet binnen de daarvoor geldende compensatieperiode viel.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellante tegen deze afwijzingen ongegrond. Appellante voerde in hoger beroep aan dat nieuwe jurisprudentie en een tussenuitspraak van de Raad haar recht op compensatie zouden bevestigen en dat het bewijsrisico ten onrechte bij haar lag.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de Wet ZEZ niet retroactief geldt en dat de genoemde jurisprudentie en regeling alleen zien op bevallingen tussen 7 mei 2005 en 4 juni 2008, terwijl appellante buiten deze periode viel. Ook het recht op een WAZO-uitkering werd verworpen omdat de uitkering destijds op nihil was gesteld wegens gebrek aan fiscale winst.
De Raad bevestigt de aangevallen uitspraak en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvragen bevestigd.