ECLI:NL:CRVB:2021:3314
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Ingangsdatum kinderbijslag correct vastgesteld volgens Algemene Kinderbijslagwet
Appellante en haar echtgenoot, beiden Poolse staatsburgers, hebben kinderbijslag aangevraagd na een periode van intrekking vanwege vermeend niet-rechtmatig verblijf. De Sociale verzekeringsbank (Svb) beëindigde in 2015 de kinderbijslag vanwege intrekking van het rechtmatig verblijf door de IND. Na een nieuwe aanvraag in 2018 kende de Svb kinderbijslag toe vanaf het vierde kwartaal van 2017, maar trok dit later weer in wegens vermeend niet-rechtmatig verblijf.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze intrekking ongegrond. De Raad herzag dit na overleg met de IND, die oordeelde dat appellante vanaf het vierde kwartaal van 2017 rechtmatig verbleef. De Svb kende daarop kinderbijslag toe vanaf dat moment, met inachtneming van de wettelijke regel dat kinderbijslag niet eerder kan ingaan dan één jaar voor de aanvraag.
Appellante stelde dat zij recht had op kinderbijslag vanaf het derde kwartaal van 2015, maar de Raad oordeelde dat de Svb terecht het recht op kinderbijslag vanaf het vierde kwartaal van 2017 heeft vastgesteld. De Raad verklaarde het beroep ongegrond en wees erop dat appellante een verzoek tot herziening kan indienen voor het eerdere besluit uit 2015. De Svb werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De kinderbijslag is terecht toegekend vanaf het vierde kwartaal van 2017 en het beroep wordt ongegrond verklaard.