ECLI:NL:CRVB:2021:387
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging ziekengeld en weigering WIA-uitkering wegens niet volgemaakte wachttijd
Appellant was werkzaam als onderwijsassistent en meldde zich op 22 januari 2014 ziek met vermoeidheids- en gewrichtsklachten. Zijn dienstverband eindigde op 1 augustus 2014. Het UWV kende hem ziekengeld toe op grond van de Ziektewet. Op 12 november 2015 vroeg appellant een WIA-uitkering aan. Een verzekeringsarts oordeelde dat appellant per 4 januari 2016 geschikt was voor zijn laatst verrichte arbeid, waarna het UWV het ziekengeld beëindigde en de WIA-uitkering weigerde omdat de wachttijd van 104 weken niet was voltooid.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de informatie van een internist geen aanleiding gaf het standpunt van het UWV te herzien. In hoger beroep voerde appellant aan dat de gevolgen van persisterende Lymeziekte zwaar wogen, maar het UWV handhaafde haar standpunt.
De Raad liet een onafhankelijk deskundige onderzoek doen, die concludeerde dat appellant op 4 januari 2016 in staat was zijn werk als onderwijsassistent te verrichten en dat de beperkingen niet verder gingen dan eerder vastgesteld. De Raad volgde het deskundigenrapport, oordeelde dat het UWV terecht het ziekengeld beëindigde en de WIA-uitkering weigerde, en bevestigde daarmee de aangevallen uitspraak.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van het ziekengeld en weigering van de WIA-uitkering worden bevestigd.