ECLI:NL:CRVB:2021:406

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 februari 2021
Publicatiedatum
24 februari 2021
Zaaknummer
20/2396 WLZ
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:108 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens niet-betaling griffierecht

De erven van betrokkene hebben hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant. De Centrale Raad van Beroep heeft vastgesteld dat het griffierecht van €131,- niet binnen de gestelde termijn is voldaan, ondanks meerdere aanmaningen. Hierdoor is het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard zonder inhoudelijke behandeling.

De Raad heeft het verzuim van appellant geconstateerd op basis van de beschikbare gegevens en heeft geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De beslissing is genomen op grond van de toepasselijke bepalingen in de Algemene wet bestuursrecht, met name artikel 8:41 en Pro 8:108.

De uitspraak is gedaan door rechter H. Benek en griffier T. Hemelrijk-van den Oudenalder op 24 februari 2021. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken schriftelijk verzet worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht binnen de gestelde termijn.

Uitspraak

Datum uitspraak: 24 februari 2021
20/2396 WLZ
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 22 mei 2020, 19/1498 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
de erven [betrokkene] te [woonplaats] (appellant)
CZ Zorgkantoor

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

OVERWEGINGEN

In artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift een griffierecht wordt geheven. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Bij brief van 15 augustus 2020 is appellant erop gewezen dat een griffierecht van € 131.- is verschuldigd, en is medegedeeld dat dit bedrag uiterlijk 28 dagen na de dag van verzending van de brief op de in die brief genoemde bankrekening moet zijn bijgeschreven.
Bij aangetekende brief van 17 september 2020 is appellant nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is medegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de datum van deze brief op de in die brief genoemde bankrekening dient te zijn bijgeschreven dan wel contant moet zijn betaald op het bezoekadres van de Raad. Daarbij is erop gewezen dat als het griffierecht niet tijdig wordt betaald, appellant er rekening mee moet houden dat het (hoger) beroep niet inhoudelijk behandeld zal worden.
Het griffierecht is niet binnen de termijn betaald.
Op grond van de beschikbare gegevens kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door H. Benek, in tegenwoordigheid van
T. Hemelrijk-van den Oudenalder als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2021.
(getekend) H. Benek
(getekend) T. Hemelrijk-van den Oudenalder
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.
ew