ECLI:NL:CRVB:2021:435
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening studiefinanciering wegens niet-thuiswonende status bevestigd
Appellant ontving vanaf 1 maart 2018 studiefinanciering als uitwonende student, terwijl hij volgens onderzoek van de minister niet op zijn BRP-adres woonde. Controleurs bezochten het adres en stelden vast dat appellant en zijn zus nauwelijks aanwezig waren en er geen persoonlijke spullen van appellant werden aangetroffen. De minister herzag daarop de studiefinanciering en vorderde €3.799,46 terug.
De rechtbank Gelderland verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het onderzoek voldoende feitelijke grondslag bood om appellant als thuiswonend aan te merken. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het onderzoek onzorgvuldig was en het besluit onvoldoende gemotiveerd, maar bracht geen nieuwe feiten of bewijzen in.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef de motivering van de rechtbank en bevestigde het bestreden besluit. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De terugvordering van het bedrag was terecht omdat appellant niet woonde op het BRP-adres.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant terecht als thuiswonende studerende is aangemerkt en het bedrag van €3.799,46 terecht is teruggevorderd.