ECLI:NL:CRVB:2021:464
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste vaststelling mate van arbeidsongeschiktheid WIA op 57,07%
Appellant, laatstelijk werkzaam als uitvoerder, ontving sinds 2009 een WGA-uitkering wegens volledige arbeidsongeschiktheid. Na een herbeoordeling in 2017 stelde het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid vast op 57,07%, gebaseerd op medische onderzoeken door een verzekeringsarts en een orthopedisch chirurg, en een arbeidsdeskundige selectie van passende functies.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, stellende dat hij onvoldoende is gehoord, niet lichamelijk onderzocht door de bezwaarverzekeringsarts, en dat zijn beperkingen, zowel fysiek als psychisch, zijn onderschat. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de geselecteerde functies medisch geschikt waren.
In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep deze beoordeling. Er was geen schending van de hoorplicht, het medisch onderzoek was zorgvuldig, en de beperkingen zijn adequaat in kaart gebracht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op basis van rapporten en eigen onderzoek de beperkingen verantwoord meegenomen. Ook de arbeidsdeskundige heeft de geschiktheid van de functies voldoende gemotiveerd.
De Raad ziet geen aanleiding tot benoeming van een deskundige en geen reden om te twijfelen aan de juistheid van het UWV-besluit. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de mate van arbeidsongeschiktheid terecht is vastgesteld op 57,07%.