ECLI:NL:CRVB:2021:542
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging ziekengeld wegens geschiktheid voor EZWb-functies
Appellante, laatstelijk administratief medewerkster, meldde zich op 17 mei 2016 ziek met lichamelijke en psychische klachten en ontving ziekengeld op grond van de Ziektewet. Na een eerstejaars ZW-beoordeling stelde het Uwv vast dat zij per 1 augustus 2017 geen recht meer had op ziekengeld omdat zij meer dan 65% van haar loon kon verdienen met andere functies. Dit besluit werd door de rechtbank en de Raad bevestigd.
Appellante meldde zich opnieuw ziek per 28 augustus 2018 en bezocht op 19 januari 2018 een verzekeringsarts die haar per 29 januari 2018 geschikt achtte voor diverse EZWb-functies. Het Uwv beëindigde daarop haar ziekengeld, wat werd bevestigd bij bezwaar en beroep. De rechtbank oordeelde dat de medische beoordeling zorgvuldig was en dat de beperkingen van appellante niet waren verergerd op de datum in geding.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij volledig arbeidsongeschikt was en dat haar beperkingen groter waren dan vastgesteld, onder meer door somatische en psychische aandoeningen. De Raad oordeelde dat deze gronden een herhaling waren van eerdere bezwaren en dat de verzekeringsarts voldoende rekening had gehouden met zowel lichamelijke als psychische klachten. Zonder objectieve medische gegevens die een verslechtering aantonen, blijft de conclusie dat appellante geschikt is voor ten minste één EZWb-functie op 29 januari 2018.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom de eerdere uitspraak en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante op 29 januari 2018 geschikt was voor ten minste één EZWb-functie en dat het Uwv haar ziekengeld terecht heeft beëindigd.