ECLI:NL:CRVB:2021:545
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding zonder melding
Appellante ontving bijstand op grond van de Participatiewet en stond ingeschreven op een adres in Roermond. Het college stelde na een melding en onderzoek vast dat appellante en X gedurende de te beoordelen periode hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden en zorg voor elkaar droegen, wat een gezamenlijke huishouding vormt. Appellante had dit niet gemeld, wat een schending van haar inlichtingenverplichting inhoudt.
Het college trok de bijstand over de periode van 15 juli 2016 tot 1 maart 2018 in en vorderde de kosten van bijstand terug. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat het bewijs onvoldoende was en dat er dringende redenen waren om af te zien van terugvordering vanwege psychische gevolgen.
De Raad oordeelde dat het college voldoende bewijs had geleverd, onder meer op basis van verklaringen, aanwezigheidregistraties en gesprekken met begeleiders. De wederzijdse zorg was aannemelijk gemaakt. Dringende redenen voor afzien van terugvordering werden niet onderbouwd. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens gezamenlijke huishouding zonder melding en wijst het hoger beroep af.