ECLI:NL:CRVB:2021:549
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing ziekengeld na zorgvuldig medisch onderzoek UWV
Appellante was werkzaam als kapster voor 11 uur per week en meldde zich ziek met spierpijn en vermoeidheidsklachten. Het UWV stelde na medisch onderzoek vast dat zij geschikt was voor haar werk en beëindigde haar ziekengeld per 28 januari 2019. Appellante maakte bezwaar en ging in beroep, stellende dat de diagnoses fibromyalgie en Lyme haar arbeidsongeschiktheid rechtvaardigden.
De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek van het UWV zorgvuldig was en dat de door appellante overgelegde medische stukken onvoldoende objectieve onderbouwing boden voor haar klachten en diagnoses. De Raad onderschrijft dit oordeel en wijst erop dat het bloedonderzoek geen aanwijzingen gaf voor Lyme en dat de beperkingen door fibromyalgie niet zodanig zijn dat zij haar werk niet kan verrichten.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten, waaronder het ontbreken van een deskundigenadvies en het belang van consistentie in het ziekteverhaal. De Raad vindt echter geen aanleiding om het oordeel van de rechtbank te wijzigen en bevestigt de afwijzing van het beroep. Er wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV bevestigd dat appellante geen recht heeft op ziekengeld.