ECLI:NL:CRVB:2021:63
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering na zorgvuldige herbeoordeling arbeidsongeschiktheid
Appellante was sinds 2008 arbeidsongeschikt gemeld en ontving een WIA-uitkering. Na een verzoek tot herbeoordeling door haar ex-werkgever stelde het UWV in 2016 de mate van arbeidsongeschiktheid vast op minder dan 35%, waarna de WIA-uitkering in 2017 werd beëindigd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat het medisch onderzoek zorgvuldig was en er geen aanleiding was om te twijfelen aan de conclusies van de verzekeringsarts. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar psychische en fysieke beperkingen werden onderschat en dat het medisch onderzoek niet voldeed aan de eisen.
De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en het UWV. De Raad oordeelde dat de verzekeringsarts de beperkingen adequaat had gemotiveerd en dat de arbeidsdeskundige aannemelijk had gemaakt dat appellante de geselecteerde functies kon verrichten. De WIA-uitkering is daarom terecht beëindigd.
Uitkomst: De WIA-uitkering van appellante is terecht beëindigd na zorgvuldige vaststelling van haar arbeidsongeschiktheid.