ECLI:NL:CRVB:2021:647
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellante, voormalig medewerker thuiszorg, kreeg sinds 2006 een WGA-uitkering wegens volledige arbeidsongeschiktheid na ziekmelding in 2004. Na een herbeoordeling in 2018 stelde een verzekeringsarts op basis van eigen onderzoek en een psychiatrisch rapport vast dat appellante slechts gedeeltelijk arbeidsongeschikt was, met beperkingen vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst. Het UWV beëindigde daarom de WIA-uitkering per 7 juni 2019.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij nog volledig arbeidsongeschikt was door lichamelijke en psychische klachten, waaronder frontale epilepsie, en dat zij was gediscrimineerd door de psychiater. De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was, de beperkingen adequaat waren vastgesteld en dat het psychiatrisch rapport van Lam op degelijke gronden was opgesteld. De klachten van appellante werden niet bevestigd door het psychiatrisch onderzoek.
De Raad volgde het oordeel van de rechtbank dat de geselecteerde functies medisch geschikt waren voor appellante en dat er geen aanwijzingen waren voor zwaardere beperkingen. Het hoger beroep werd verworpen en de beëindiging van de WIA-uitkering bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.