ECLI:NL:CRVB:2021:671
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van afwijzing herzieningsverzoeken AOW na vaststelling gezamenlijke huishouding
Appellanten ontvingen ouderdomspensioenen op basis van de Algemene Ouderdomswet (AOW). Na onderzoek door de Sociale verzekeringsbank (Svb) werd vastgesteld dat zij vanaf september 2016 een gezamenlijke huishouding voerden, waarop hun pensioenen werden herzien naar de gehuwdennorm. Appellanten verzochten later om herziening van deze besluiten met terugwerkende kracht vanaf mei 2018, stellende dat er geen gezamenlijke huishouding meer was.
De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond omdat appellanten hun stellingen onvoldoende onderbouwden en de Svb geen aanleiding zag om de onaantastbare besluiten te herzien. In hoger beroep herhaalden appellanten deze gronden, maar de Centrale Raad van Beroep vond geen reden om het oordeel van de rechtbank te wijzigen.
De Raad bevestigde dat de Svb terecht de verzoeken om herziening afwees, omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die een gunstiger besluit rechtvaardigden. De bestreden besluiten werden niet als evident onredelijk beoordeeld. De Raad wees ook proceskosten af en bevestigde daarmee de eerdere uitspraken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de herzieningsverzoeken en handhaaft de gehuwdennorm voor de AOW-pensioenen.