ECLI:NL:CRVB:2021:681
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep wegens correctie indicatie door CIZ
Appellante stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland over een terugvordering van onverschuldigd betaald persoonsgebonden budget (pgb) door het zorgkantoor. Het geschil betrof een terugvordering van € 2.707,50 over de periode van 12 januari 2018 tot en met 10 april 2018, gebaseerd op een besluit van het CIZ om de indicatie per 12 januari 2018 te beëindigen.
Na tussenkomst van het zorgkantoor heeft het CIZ de indicatie gecorrigeerd en de beëindigingsdatum gewijzigd naar 11 april 2018, waardoor de terugvordering kwam te vervallen. Naar aanleiding hiervan trok appellante het hoger beroep in en verzocht om proceskostenvergoeding.
De Raad overwoog dat het feit dat het CIZ de indicatie na tussenkomst van het zorgkantoor corrigeerde, geen bijzondere omstandigheid vormt die de proceskostenveroordeling zou uitsluiten. De noodzaak tot hoger beroep was niet uitsluitend te wijten aan de handelwijze van appellante. Daarom werd het zorgkantoor veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 534,- die appellante redelijkerwijs heeft moeten maken.
De vergoeding van het griffierecht kan appellante rechtstreeks bij het zorgkantoor vorderen. De uitspraak werd gedaan door J.P.A. Boersma in aanwezigheid van griffier K.R. van Renswoude op 26 maart 2021.
Uitkomst: Het zorgkantoor wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellante van € 534,-.