ECLI:NL:CRVB:2021:711
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering na zorgvuldig medisch onderzoek door UWV bevestigd
Appellant, voormalig beveiliger, viel in 2011 uit wegens rug- en longklachten en ontving een WW-uitkering. Het UWV stelde vast dat hij vanaf 29 juli 2013 minder dan 35% arbeidsongeschikt was en dat hij diverse functies kon vervullen. Na een ziekmelding in 2016 en medisch onderzoek door een verzekeringsarts, besloot het UWV per 28 juni 2016 de Ziektewetuitkering te beëindigen. Het bezwaar van appellant werd ongegrond verklaard, en de rechtbank bevestigde dit oordeel.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn klachten en pijn werden onderschat en verwees naar medische informatie van een neuroloog, GGZ, PsyQ en een beschikking van de gemeente Rotterdam voor een scootmobiel. Tevens stelde hij dat het UWV de beginselen van behoorlijk bestuur had geschonden. De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de medische informatie onvoldoende aanleiding gaf tot een ander oordeel. De scootmobiel was toegekend op basis van de WMO en niet relevant voor de beoordeling van arbeidsongeschiktheid.
De Raad concludeerde dat appellant geen nieuwe medische informatie had overgelegd die het eerdere oordeel zou wijzigen en dat de aangevallen uitspraak van de rechtbank terecht was. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de Ziektewetuitkering terecht heeft beëindigd na zorgvuldig medisch onderzoek.