ECLI:NL:CRVB:2021:738

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 maart 2021
Publicatiedatum
2 april 2021
Zaaknummer
20/4235 PW-VV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:104 AwbArt. 8:108 AwbArt. 7:10 Awb
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening wegens ontbreken onverwijlde spoed bij opschorting bijstand

Verzoekster ontving bijstand op grond van de Participatiewet. Het college had de bijstand opgeschort per 14 november 2018, maar trok deze opschorting later in. Verzoekster stelde beroep in tegen het niet tijdig beslissen op haar bezwaar, maar de rechtbank verklaarde dit beroep niet-ontvankelijk omdat de beslistermijn nog niet was verstreken.

In hoger beroep verzocht verzoekster tevens om een voorlopige voorziening omdat het college de bijstand opnieuw zou hebben opgeschort per 1 december 2020. Zij stelde dat zij daardoor spoedeisend belang had omdat haar vaste lasten niet meer betaald zouden worden.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het college bij brief van 18 februari 2021 had meegedeeld de opschorting niet langer te handhaven en de bijstand vanaf 1 december 2020 weer betaalbaar te stellen. Hierdoor ontbrak het aan onverwijlde spoed zoals vereist voor een voorlopige voorziening. Het verzoek werd daarom afgewezen zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van onverwijlde spoed.

Uitspraak

20/4235 PW-VV
Datum uitspraak: 23 maart 2021
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening
Partijen:
[verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)
het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar (college)

PROCESVERLOOP

Verzoekster heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 17 december 2019, 18/5355, (aangevallen uitspraak) en tevens een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Verzoekster ontving bijstand op grond van de Participatiewet (PW).
1.2.
Bij besluit van 16 november 2018 heeft het college, onder toepassing van artikel 54, eerste lid, van de PW, de bijstand van verzoekster met ingang van 14 november 2018 opgeschort.
1.3.
Bij besluit van 23 november 2018 heeft het college het besluit van
16 november 2018 ingetrokken en de bijstand per 14 november 2018 ongewijzigd voortgezet.
1.4.
Op 8 december 2018 heeft verzoekster beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op het door haar ingediende bezwaarschrift tegen het besluit van 16 november 2018.
1.5.
Bij besluit van 4 januari 2019 heeft het college het bezwaar van verzoekster niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van procesbelang.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van verzoekster van 8 december 2018 niet-ontvankelijk verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat in artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor het nemen van een beslissing op bezwaar als hier aan de orde een termijn van zes weken is opgenomen. Verzoekster heeft op 17 november 2018 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 16 november 2018. Verzoekster heeft reeds op 8 december 2018 haar beroep tegen het niet tijdig beslissen op een bezwaarschrift ingediend. Op dat moment was de beslistermijn nog niet verstreken. Het college zou op zijn vroegst op 29 december 2018 in gebreke zijn een beslissing op bezwaar te nemen. Hieruit volgt dat het college nog niet in gebreke was om te beslissen op de aanvraag van verzoekster.
3. Verzoeker heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.
4. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Ingevolge artikel 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:81 van Pro de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4.2.
Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 2 december 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AO0764) is de mogelijkheid om hangende (hoger) beroep een verzoek om voorlopige voorziening te doen niet bedoeld om door middel van zogenoemde kortsluiting de behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen.
4.3.
Verzoekster heeft ter onderbouwing van het spoedeisend belang aangevoerd dat het college bij besluit van 8 december 2020 de bijstand met ingang van 1 december 2020 opnieuw heeft opgeschort. Een vriendin heeft haar vaste lasten in december voor haar betaald maar daarna zal dat niet meer het geval zijn.
4.4.
De aard van een verzoek om een voorlopige voorziening veronderstelt een actueel spoedeisend belang. Bij brief van 18 februari 2021 heeft het college aan de Raad meegedeeld dat het college de opschorting van de bijstand vanaf 1 december 2020 niet langer handhaaft omdat de termijn van acht weken inmiddels is verstreken. De bijstand zal vanaf 1 december 2020 weer betaalbaar worden gesteld.
4.5.
Wat onder 4.4 is overwogen, leidt ertoe dat bij dit verzoek onverwijlde spoed als bedoeld in artikel 8:81 van Pro de Awb ontbreekt. Daarom bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.
4.6.
Het verzoek is gelet op 4.1 tot en met 4.5 kennelijk ongegrond, zodat de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb buiten zitting uitspraak zal doen.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2021.
(getekend) M. Hillen
(getekend) R.B.E. van Nimwegen