Uitspraak
19.733 WSF
.
OVERWEGINGEN
.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene werd door de minister aangeslagen voor een bedrag van €485,- omdat zij in de periode van 1 februari 2018 tot 15 april 2018 een studentenreisproduct op haar OV-chipkaart had terwijl zij hier geen recht op had. De rechtbank Amsterdam had het bezwaar van betrokkene gegrond verklaard en het besluit van de minister vernietigd, stellende dat betrokkene niet kon worden verweten dat zij het reisproduct niet eerder had stopgezet.
De minister ging in hoger beroep en voerde aan dat het niet tijdig stopzetten van het reisproduct wel aan betrokkene kon worden toegerekend. De Raad onderzocht de communicatie tussen betrokkene en de onderwijsinstelling en concludeerde dat betrokkene reeds in november 2017 een verzoek tot uitschrijving had ingediend, dat pas kon worden verwerkt na vaststelling van de examendatum op 31 januari 2018.
De Raad oordeelde dat betrokkene tijdig had kunnen stoppen met het reisproduct en dat er geen sprake was van een uitschrijving met terugwerkende kracht buiten haar om. Ook had betrokkene kunnen kiezen het verzoek tot uitschrijving in te trekken en later opnieuw in te dienen. Het beroep van betrokkene werd daarom ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank vernietigd.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en zij blijft het bedrag van €485,- verschuldigd.