ECLI:NL:CRVB:2021:840
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit beëindiging nabestaandenuitkering wegens arbeidsongeschiktheid
Appellante ontving sinds januari 2007 een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW). De Sociale verzekeringsbank (Svb) besloot de uitkering per 1 december 2017 te beëindigen omdat appellante minder dan 45% arbeidsongeschikt zou zijn. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en bevestigde het besluit van de Svb.
In hoger beroep stelde appellante dat het onderzoek door het UWV onzorgvuldig was en dat onvoldoende rekening was gehouden met informatie uit de behandelende sector. De Raad benoemde een onafhankelijke verzekeringsarts als deskundige, die concludeerde dat appellante vanwege hartfalen en een dysthymie urenbeperkt belastbaar was tot 20 uur per week, wat een hogere mate van arbeidsongeschiktheid impliceert.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep betwistte dit en hield vast aan het standpunt dat geen urenbeperking nodig was. De Raad volgde echter het oordeel van de onafhankelijke deskundige vanwege de zorgvuldige en overtuigende motivering. De Raad vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en bepaalde dat de Svb binnen zes weken een nieuwe beslissing op bezwaar moet nemen, waarbij alleen beroep bij de Raad mogelijk is.
Daarnaast werd de Svb veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot beëindiging van de nabestaandenuitkering wordt vernietigd en de Svb moet een nieuwe beslissing op bezwaar nemen.