ECLI:NL:CRVB:2021:884
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen terugvordering WW-uitkering
Appellant ontving een WW-uitkering van mei tot september 2014. Het UWV stelde vast dat appellant in die periode werkte en vorderde op 5 oktober 2015 een bedrag van € 2.097,56 terug wegens onverschuldigde uitkering. Tevens werd een boete opgelegd wegens schending van de inlichtingenplicht. Appellant maakte bezwaar, dat door het UWV niet-ontvankelijk werd verklaard wegens te late indiening.
De rechtbank stelde dat appellant het besluit van 5 oktober 2015 moest hebben ontvangen op basis van contra-indicaties zoals een brief van 18 september 2015 en een dwangbevel van maart 2016. De Raad volgt dit niet, maar stelt vast dat appellant het dwangbevel en een brief van 24 december 2015 wel heeft ontvangen, waarin hij telefonisch aangaf het bedrag niet te kunnen betalen en een formulier inkomensonderzoek werd toegezonden. Dit vormt een contra-indicatie dat het besluit is ontvangen.
De Raad oordeelt dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Hoewel pas in hoger beroep een deugdelijke motivering aan het besluit is gegeven, wordt dit gebrek gepasseerd omdat appellant niet is benadeeld en het besluit met dezelfde inhoud zou zijn genomen. Het hoger beroep wordt afgewezen en het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 5 oktober 2015 is terecht niet-ontvankelijk verklaard en het hoger beroep wordt afgewezen.