ECLI:NL:CRVB:2021:972
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang na gewijzigde WIA-beslissing
Appellante, werkzaam als verkoopster bij het bedrijf van haar vader, meldde zich in 2014 ziek. Het UWV weigerde in 2017 een WIA-uitkering toe te kennen wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid. Werkgever maakte bezwaar, maar het bezwaar werd ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante niet-ontvankelijk omdat zij geen bezwaar had gemaakt tegen het oorspronkelijke besluit.
In hoger beroep stelde appellante dat haar werkgever mede namens haar bezwaar had gemaakt. De Raad schorste de zitting om het UWV een nader verzekeringsgeneeskundig onderzoek te laten uitvoeren. Op basis van nieuw medisch onderzoek stelde het UWV in maart 2020 de arbeidsongeschiktheid op 100% vast en kende een IVA-uitkering toe.
Omdat het UWV hiermee aan de bezwaren tegemoet was gekomen, verklaarde de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van een procesbelang. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van de door appellante gemaakte proceskosten, waaronder kosten voor rechtsbijstand, medische expertise en reiskosten. Vergoeding van de kosten van arbeidsdeskundige adviezen van Smart!Reïntegratie werd afgewezen omdat geen verslag was ingebracht.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt niet-ontvankelijk verklaard en het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.