ECLI:NL:CRVB:2022:1031
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor kosten woninginrichting wegens ontbreken bijzondere omstandigheden
Appellant, die vanaf 2013 bijstand ontvangt, verhuisde in juli 2019 naar een eengezinswoning na ruim vijf jaar als woningzoekende te hebben gestaan. Hij vroeg bijzondere bijstand aan voor de kosten van woninginrichting, welke door het college werd afgewezen omdat deze kosten als incidentele algemeen noodzakelijke kosten worden beschouwd die uit het bijstandsniveau betaald moeten worden. Appellant stelde dat de verhuizing noodzakelijk was vanwege een onhoudbare woonsituatie en psychische klachten, en dat hij daardoor bijzondere bijstand nodig had.
De Raad overwoog dat bijzondere bijstand alleen kan worden toegekend als de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden en niet uit het inkomen kunnen worden voldaan. De verhuizing was niet plotseling of onvoorzienbaar omdat appellant al jaren bijstand ontving en als woningzoekende stond ingeschreven. Er was geen medische urgentieverklaring en appellant had kunnen reserveren voor de inrichtingskosten. De Raad concludeerde dat de inrichtingskosten niet voortvloeiden uit bijzondere omstandigheden.
Daarom werd het hoger beroep afgewezen en de eerdere uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken op 3 mei 2022 door de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: De aanvraag bijzondere bijstand voor woninginrichting werd afgewezen wegens ontbreken van bijzondere omstandigheden.