ECLI:NL:CRVB:2022:1265
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete en terugvordering bijstand wegens niet gemelde stortingen en bijschrijvingen
De zaak betreft een hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam over de herziening en terugvordering van bijstand en de oplegging van een boete. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam had de bijstand van appellant herzien over de periode van 1 februari 2018 tot en met 28 februari 2019 en een bedrag van € 4.356,74 teruggevorderd. Dit omdat appellant stortingen en bijschrijvingen op zijn bankrekening ontving zonder deze te melden, waardoor het college deze als inkomen aanmerkte.
Daarnaast legde het college een boete van € 610,- op wegens schending van de inlichtingenverplichting. De rechtbank oordeelde dat ook periodieke en eenmalige betalingen van derden als inkomen moeten worden gezien en dat appellant terecht een boete kreeg, rekening houdend met verminderde verwijtbaarheid.
Appellant voerde in hoger beroep vrijwel dezelfde gronden aan als in eerdere procedures, zonder nieuwe argumenten. De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en bevestigde dat het college terecht de boete oplegde en de terugvordering uitvoerde. De boete werd als evenredig beoordeeld en er was geen aanleiding tot verdere matiging of proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de boete van € 610,- en de terugvordering van € 4.356,74 wegens niet gemelde stortingen en bijschrijvingen.