ECLI:NL:CRVB:2022:1274
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek herziening WIA-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellant ontving sinds 2007 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA, die in 2010 werd omgezet in een WGA-loonaanvullingsuitkering. Na een herbeoordeling in 2016 beëindigde het UWV deze uitkering, waarna bezwaar en een gerechtelijke procedure volgden. In 2018 verzocht appellant om heronderzoek vanwege vermeende verslechtering van zijn medische toestand.
Het UWV wees dit verzoek af omdat er geen nieuwe medische feiten of omstandigheden waren die aanleiding gaven tot herziening. De rechtbank Gelderland verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond, waarbij werd overwogen dat de medische informatie onvoldoende nieuw was om het eerdere oordeel te wijzigen.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn psychische en lichamelijke toestand sinds 2018 aanzienlijk was verslechterd, ondersteund door medische verklaringen van zijn huisarts. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat de aangevoerde medische stukken al bekend waren bij het UWV en dat de klachten niet wezenlijk afweken van eerdere beoordelingen.
De Raad bevestigde dat het UWV zorgvuldig en gemotiveerd heeft gehandeld en dat het verzoek tot herziening terecht is afgewezen. Er was geen sprake van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zoals bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd daarmee bekrachtigd.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening van de WIA-uitkering wordt afgewezen wegens ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.