Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2022:1360

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 juni 2022
Publicatiedatum
24 juni 2022
Zaaknummer
20/3402 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 PWArt. 6:19 AwbArt. 6:24 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit woonkostentoeslag wegens onvoldoende motivering over VvE-grootonderhoudskosten

Appellant, een bijstandsontvanger met een koopwoning, vroeg bijzondere bijstand aan in de vorm van een woonkostentoeslag. Het college kende een toeslag toe op basis van forfaitaire bedragen voor woonlasten, waaronder een vast bedrag voor VvE-kosten.

Appellant betwistte dat de werkelijke woonlasten, waaronder de dotaties voor groot onderhoud aan het VvE-reservefonds, niet volledig waren meegenomen. Het college handhaafde het besluit deels, maar verhoogde de toeslag bij nader besluit.

De Raad oordeelde dat het beleid buitenwettelijk begunstigend is en dat toetsing beperkt is tot consistentie en fundamentele rechten. Het college had de VvE-dotaties onterecht buiten beschouwing gelaten, waardoor het besluit onvoldoende gemotiveerd was. Echter, de berekening van de woonlasten wijkt niet substantieel af van de forfaitaire bedragen, zodat de hoogte van de toeslag juist is vastgesteld.

De Raad vernietigde het bestreden besluit, verklaarde het beroep gegrond, maar wees het beroep tegen het nader besluit af. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.

Uitkomst: Het beroep tegen het bestreden besluit wordt gegrond verklaard en dat besluit vernietigd; het beroep tegen het nader besluit wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

20 3402 PW, 22/1247 PW

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van
19 augustus 2020, 20/508 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Almere (college)
Datum uitspraak: 14 juni 2022

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.J.A. Vis, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het college heeft op 27 december 2021 een nader besluit genomen.
Het college heeft naar aanleiding van vragen van de Raad een reactie gegeven.
Appellante heeft gronden aangevoerd tegen het nader besluit.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 mei 2022. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Vis. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
M.K. Riemersma.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant heeft een koopwoning en ontvangt sinds 4 juli 2019 bijstand op grond van de Participatiewet (PW). Appellant heeft op 19 september 2019 bijzondere bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag aangevraagd.
1.2.
Bij besluit van 11 oktober 2019 heeft het college appellant met ingang van 4 juli 2019 een woonkostentoeslag toegekend van € 19,82 per maand. Nadat appellant tegen het besluit van 11 oktober 2019 bezwaar had gemaakt, heeft het college bij besluit van
19 december 2019 (bestreden besluit) de hoogte van de toegekende woonkostentoeslag gewijzigd in een bedrag van € 39,02 per maand. Bij de berekening van de hoogte van de woonkostentoeslag is uitgegaan van woonlasten ad € 669,31 per maand (maandelijkse hypotheekrente ad € 511,31 + forfaitaire bedragen ad € 110,- + € 48,-). Aan het bestreden besluit heeft het college artikel 35, eerste lid, van de PW in combinatie met de ‘Beleidsregel berekening woonkostentoeslag eigenaren’ (Beleidsregel) ten grondslag gelegd.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft aangevoerd dat zijn werkelijke woonlasten in 2019 per maand substantieel hoger liggen dan de door het college gehanteerde forfaitaire bedragen van € 110,- en € 48,-. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft appellant gewezen op de door hem in hoger beroep in geding gebrachte specificatie van zijn maandelijkse bijdrage aan de Vereniging van Eigenaren 2019 (VvE). Ook heeft appellant in hoger beroep facturen overgelegd van door hem betaalde rioolrechten en waterschapslasten over 2019 en een aanslag onroerende zaakbelasting eigenaar over 2019.
3.2.
Appellant heeft op 26 november 2021 zijn definitieve aanslag inkomstenbelasting over 2019, met dagtekening 3 december 2012, aan het college verstrekt. Naar aanleiding hiervan heeft het college bij nader besluit van 27 december 2021 het bestreden besluit herzien en de hoogte van de maandelijks toegekende woonkostentoeslag over de periode 4 juli 2019 tot en met 31 december 2019 nader vastgesteld op € 211,46 per maand. De vaststelling van de hoogte van de maandelijkse woonlasten is hetzelfde gebleven als is bepaald in het bestreden besluit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Het nader besluit wordt, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, mede in de beoordeling betrokken omdat daarmee niet geheel aan het hoger beroep van appellant is tegemoetgekomen.
4.2.
Het college heeft in hoger beroep, gelet op het nader besluit, het bestreden besluit niet volledig gehandhaafd. Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten niet in stand kan blijven. De Raad zal het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dit besluit vernietigen.
4.3.
Vervolgens ligt ter beoordeling voor of het nader besluit in rechte in stand kan blijven.
4.4.
In artikel 35, eerste lid, van de PW is, voor zover van belang, bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.
4.5.
Kosten die verband houden met een aan de belanghebbende in eigendom toebehorende woning moeten in beginsel worden gerekend tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Die kosten dienen in beginsel te worden voldaan uit het inkomen op bijstandsniveau, hetzij door middel van reservering, hetzij door middel van gespreide betaling achteraf. Met die kosten wordt in beginsel iedere eigenaar van een woning geconfronteerd. Daarvoor wordt alleen bijzondere bijstand verleend indien de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden die ertoe leiden dat die kosten niet uit de algemene bijstand en de aanwezige draagkracht kunnen worden voldaan. Appellant heeft niet gesteld dat in zijn geval de woonkosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Dat betekent dat voor verlening van bijzondere bijstand voor deze kosten op grond van artikel 35, eerste lid van de PW, geen plaats is.
4.6.
Het college heeft een Beleidsregel geformuleerd op grond waarvan in sommige gevallen toch bijzondere bijstand kan worden verleend. De Beleidsregel luidt, voor zover van belang als volgt:
“De woonkostentoeslag voor een eigen woning met woonlasten beneden de maximale huurgrens:
(…)
Berekening
1. rente hypothecaire geldlening;
2. waterschapslasten/rioolrechten;
3. onroerendgoedbelasting (eigenaarsaandeel);
4. brand/opstalverzekering;
5. kosten voor groot onderhoud;
Het totaal van de kosten genoemd bij 2 t/m 5 kan forfaitair (op een vast bedrag) gesteld worden van € 110,00 per maand (dus niet de rente bij 1). Bij koopappartementen moet daar een forfaitair bedrag van € 48,00 per maand bij opgeteld worden voor de kosten van huismeester, schoonmaak lift, verlichting en onderhoud dienstruimten etc. In bijzondere gevallen kan (geïndividualiseerd) uitgegaan worden van de werkelijke kosten wanneer blijkt dat de werkelijke kosten substantieel afwijken van de bovenstaande forfaitaire bedragen.”
4.7.
Naar het oordeel van de Raad dient het onder 4.6. bedoelde beleid te worden gekwalificeerd als buitenwettelijk begunstigend beleid voor zover met toepassing daarvan woonkostentoeslag wordt verleend in andere gevallen of tot een hoger bedrag dan met toepassing van artikel 35 van Pro de PW mogelijk is. De bestuursrechter dient het bestaan en de inhoud van dergelijk beleid als een gegeven te aanvaarden. De rechterlijke toetsing is dan beperkt tot de vraag of het bestuursorgaan het beleid consistent heeft toegepast en de vraag of fundamentele rechten waarop de betrokkene zich beroept niet zijn geschonden.
4.8.
Tussen partijen is in geschil of het college bij de berekening van de maandelijkse woonlasten van appellant uit had moeten gaan van de werkelijk door appellant betaalde woonlasten in plaats van de forfaitaire bedragen.
4.9.
Het college heeft zich naar aanleiding van vragen van de Raad op het standpunt gesteld dat appellant met de door hem in hoger beroep overgelegde stukken niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn maandelijkse woonlasten substantieel afwijken van de forfaitaire bedragen die de gemeente overeenkomstig de Beleidsregel hanteert.
4.10.
Het college heeft dit standpunt primair gebaseerd op de stelling dat de door appellant in 2019 betaalde maandelijkse dotaties voor groot onderhoud aan het reservefonds van de VvE, overeenkomstig de vaste en bestendige gedragslijn bij koopappartementen met een VvE, niet worden meegerekend bij de vaststelling van de hoogte van de werkelijk gemaakte woonlasten omdat deze kosten zien op reservering van groot onderhoud voor het totale appartementencomplex en niet voor het appartement van appellant zelf. Als subsidiair standpunt heeft het college ter zitting het volgende aangevoerd. Ook al zouden de maandelijkse dotaties aan het reservefonds van de VvE moeten worden meegerekend bij de vaststelling van de hoogte van de werkelijk gemaakte woonlasten, dan nog wijkt het totaal van de door appellant betaalde werkelijke maandelijkse woonlasten niet substantieel af van de forfaitaire bedragen die de gemeente overeenkomstig de Beleidsregel hanteert. Het college heeft ter zitting dit standpunt door middel van een berekening nader onderbouwd.
4.11.
Niet in geschil is dat appellant in 2019 maandelijks dotaties voor groot onderhoud heeft betaald aan het reservefonds van de VvE.
4.12.
Anders dan het college als primair standpunt heeft aangevoerd, valt niet in te zien dat dotaties voor groot onderhoud aan een reservefonds van een VvE, niet onder de in de Beleidsregels vermelde werkelijk betaalde woonlasten vallen. Uit de Beleidsregels valt niet af te leiden dat het bij kosten die zien op reservering voor groot onderhoud dient te gaan om kosten die zien op het appartement van appellant zelf.
4.13.
Uit 4.12 volgt dat het nader besluit niet deugdelijk is gemotiveerd voor zover het college bij de berekening van de hoogte van de werkelijke woonlasten de door appellant in 2019 betaalde dotaties voor groot onderhoud aan het reservefonds van de VvE niet heeft meegenomen. Dit betekent echter niet dat het beroep tegen het nader besluit gegrond wordt verklaard. Immers, het college heeft ter zitting door middel van een berekening aangetoond dat, ook als de dotaties voor groot onderhoud aan het reservefonds van de VvE wel worden meegenomen bij de berekening van de hoogte van de werkelijke woonlasten, dit bedrag niet substantieel afwijkt van de door het college gehanteerde forfaitaire bedragen. Appellant heeft deze berekening niet betwist. Het college heeft in zoverre de Beleidsregels consistent toegepast en mocht uitgaan van de in de Beleidsregels neergelegde forfaitaire bedragen. De hoogte van de toegekende maandelijkse woonkostentoeslag over 2019 is juist vastgesteld.
4.14.
Uit 4.13 volgt dat het beroep tegen het nader besluit ongegrond moet worden verklaard.
5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.518,- in beroep en € 1.518,- in hoger beroep, in totaal dus € 3.036,- voor verleende rechtsbijstand. De reiskosten worden begroot op € 20,40 in hoger beroep.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
  • verklaart het beroep tegen het nader besluit ongegrond;
  • veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 3.056,40,-;
  • bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 179,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van B. Beerens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2022.
(getekend) M. Hillen
(getekend) B. Beerens