Uitspraak
20 3331 PW
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
BESLISSING
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, sinds december 2018 dak- en thuisloos, vroeg in juni 2019 bijstand aan en gaf een adres op als hoofdverblijf. Na een huisbezoek en gesprekken met appellant en een kamerbewoner ontstonden twijfels over zijn verblijf op dat adres. Tijdens het huisbezoek werden nauwelijks persoonlijke spullen aangetroffen, wat niet overeenkwam met de door appellant gegeven beschrijving.
Het college weigerde de bijstand omdat appellant niet voldeed aan de inlichtingenplicht en zijn hoofdverblijf niet aannemelijk kon maken. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak in hoger beroep.
De Raad oordeelde dat het huisbezoek op redelijke gronden was uitgevoerd en dat de bevindingen een toereikende basis vormden voor het besluit. De verklaringen van appellant en zijn begeleider konden het oordeel niet wijzigen. Het hoger beroep werd daarom afgewezen.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand wordt afgewezen omdat appellant zijn hoofdverblijf niet aannemelijk heeft gemaakt.