ECLI:NL:CRVB:2022:1476
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing IOAW-uitkering wegens onvoldoende bewijs hoofdverblijf op opgegeven adres
Appellant vroeg op 12 december 2019 een IOAW-uitkering aan en gaf op dat hij woonde op een bepaald adres te Capelle aan den IJssel. Het college voerde huisbezoeken uit, waarbij appellant niet werd aangetroffen, en constateerde dat er geen aanwijzingen waren dat appellant daadwerkelijk op dat adres woonde.
Appellant voerde aan dat hij wel op het adres woonde, maar kon dit niet aannemelijk maken. De Raad stelde vast dat appellant de bewijslast draagt om zijn hoofdverblijf aan te tonen. Uit de huisbezoeken, bankafschriften en de situatie in de woning bleek dat appellant niet op het opgegeven adres verbleef, maar vaak bij zijn zus woonde.
De Raad oordeelde dat de aangevallen uitspraak van de rechtbank Rotterdam, die het beroep ongegrond verklaarde, terecht was en bevestigde deze. Er was geen reden om aan te nemen dat de vertalingen onjuist waren of dat appellant een geldige verklaring had voor zijn afwezigheid tijdens de huisbezoeken. De aanvraag voor de IOAW-uitkering werd daarom afgewezen.
Uitkomst: De aanvraag voor de IOAW-uitkering wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van hoofdverblijf op het opgegeven adres.