ECLI:NL:CRVB:2022:154
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken beroepsgronden in sociale zekerheidszaak
Appellant heeft tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag hoger beroep ingesteld in een sociale zekerheidszaak. Het ingediende beroepschrift bevatte echter geen gronden, wat een vereiste is volgens artikel 6:5, eerste lid, Awb, en artikel 6:24 Awb Pro.
De appellant werd bij brief van 15 juni 2021 in de gelegenheid gesteld dit gebrek binnen vier weken te herstellen, maar liet deze termijn ongebruikt voorbijgaan. Vervolgens werd ook de gemachtigde van appellant bij aangetekende brief van 16 augustus 2021 nogmaals een termijn van vier weken gegeven om de beroepsgronden in te dienen, met de waarschuwing dat bij overschrijding de zaak niet inhoudelijk zou worden behandeld.
De gemachtigde maakte ook geen gebruik van deze termijn en er werden geen verontschuldigingen voor het verzuim aangevoerd. De Centrale Raad van Beroep verklaarde daarom het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk en besloot zonder inhoudelijke behandeling van de zaak. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van beroepsgronden en het niet herstellen binnen gestelde termijnen.