ECLI:NL:CRVB:2022:166
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bijstandsaanvraag wegens gezamenlijke huishouding en terugvordering voorschot
Appellant diende op 27 maart 2019 een aanvraag in voor bijstand als alleenstaande, waarbij X als medebewoner werd opgegeven. Het college stelde een onderzoek in, waaronder een huisbezoek, en concludeerde dat appellant en X een gezamenlijke huishouding voerden. Dit werd onderbouwd door registratie bij de Belastingdienst en gezamenlijke belastingaangifte.
Het college wees de aanvraag af en vorderde het eerder verstrekte voorschot van €626,32 terug. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat X slechts een postadres had en dat er geen gezamenlijke huishouding was. De Raad oordeelde echter dat de onderzoeksbevindingen, waaronder het huisbezoek en de gezamenlijke belastingaangifte, voldoende bewijs boden voor het bestaan van een gezamenlijke huishouding.
De Raad bevestigde dat het college terecht handelde op grond van het onweerlegbaar rechtsvermoeden uit de Participatiewet en het Besluit aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding. Het hoger beroep werd verworpen en de terugvordering van het voorschot gegrond verklaard.
Uitkomst: De afwijzing van de bijstandsaanvraag en de terugvordering van het voorschot worden bevestigd wegens het bestaan van een gezamenlijke huishouding.