ECLI:NL:CRVB:2022:1871
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken beroepsgronden
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag. Volgens artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet het beroepschrift de gronden van het beroep bevatten. Het ingediende beroepschrift bevatte echter geen gronden.
De gemachtigde van appellant is bij brief van 17 januari 2022 in de gelegenheid gesteld dit verzuim binnen vier weken te herstellen, maar heeft deze termijn ongebruikt laten verlopen. Vervolgens is bij aangetekende brief van 17 februari 2022 nogmaals een termijn van vier weken gesteld om de beroepsgronden in te dienen, met de waarschuwing dat overschrijding zou leiden tot niet-inhoudelijke behandeling. Ook deze termijn is ongebruikt voorbijgegaan.
Er zijn geen redenen gebleken die dit verzuim verontschuldigen. Daarom verklaart de Centrale Raad van Beroep het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk en wordt zonder inhoudelijke behandeling beslist. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van beroepsgronden.