ECLI:NL:CRVB:2022:19
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken beroepsgronden
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Limburg. Volgens artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient het beroepschrift de gronden van het beroep te bevatten. Het ingediende beroepschrift bevatte echter geen gronden.
De gemachtigde van appellant is bij brief van 9 juli 2021 in de gelegenheid gesteld om dit verzuim binnen vier weken te herstellen. Hierna is uitstel verleend tot 3 september 2021, maar ook deze termijn is ongebruikt voorbijgegaan. Vervolgens is bij aangetekende brief van 6 september 2021 nogmaals een termijn van vier weken gesteld met de waarschuwing dat bij overschrijding de zaak niet inhoudelijk zou worden behandeld. Ook deze termijn is ongebruikt verstreken.
Er zijn geen redenen gebleken die het verzuim kunnen verontschuldigen. Daarom verklaart de Centrale Raad van Beroep het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk en wordt zonder inhoudelijke behandeling beslist. Er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van beroepsgronden.