ECLI:NL:CRVB:2022:1965

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 augustus 2022
Publicatiedatum
13 september 2022
Zaaknummer
21/4223 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.T.H. Zimmerman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:119 AwbArt. 54a BarpArt. 54b Barp
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om herziening smartengelduitkering op grond van artikel 54a Barp

Verzoeker heeft een verzoek om herziening ingediend tegen een eerdere uitspraak van de Centrale Raad van Beroep waarin het beroep tegen een besluit van de korpschef van politie over een smartengelduitkering op grond van artikel 54a Barp ongegrond werd verklaard.

De Raad overwoog dat herziening slechts mogelijk is op basis van nieuwe feiten en omstandigheden die voor de uitspraak niet bekend waren en die tot een andere uitspraak hadden kunnen leiden. Verzoeker voerde onder meer aan dat de toevoeging van artikel 54b Barp, een gewijzigde regeling en recente correspondentie met de Belastingdienst en het UWV nieuwe feiten zouden zijn.

De Raad oordeelde dat deze feiten en omstandigheden niet nieuw waren of niet tot een andere uitspraak konden leiden. De wijzigingen en correspondentie waren bekend of hadden redelijkerwijs bekend kunnen zijn vóór de uitspraak, en hadden geen betrekking op de inhoudelijke besluitvorming. Het verzoek om herziening werd daarom afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om herziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten en omstandigheden die tot een andere uitspraak hadden kunnen leiden.

Uitspraak

21.4223 AW

Datum uitspraak: 25 augustus 2022
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 2 september 2021, 20/1157 AW
Partijen:
[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
de korpschef van politie (korpschef)
PROCESVERLOOP
Namens verzoeker heeft M.J. van Broekhoven een verzoek om herziening ingediend.
De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.
Verzoeker heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2022. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door [Naam] en [Naam 2] . De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H. ten Have en T.E.O. Tjon-A-Njoek
.

OVERWEGINGEN

1.1.
Bij besluit van 6 augustus 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 11 maart 2019, is aan verzoeker een smartengelduitkering toegekend van € 147.404,- op grond van artikel 54a van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp). Met de bij verzoeker vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100% correspondeert een bedrag van € 164.300,-. Omdat verzoeker eerder een smartengelduitkering van € 16.896,- heeft ontvangen, wordt dit in mindering gebracht op het bedrag van € 164.300,-.
1.2.
Bij uitspraak van 12 februari 2020 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep tegen het besluit van 11 maart 2019 gegrond verklaard en het smartengeld op grond van artikel 54a, eerste lid, van het Barp wegens volledige arbeidsongeschiktheid door de beroepsziekte PTSS vastgesteld op € 164.300,-. Bij de uitspraak van 2 september 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2227, waarvan herziening wordt gevraagd, heeft de Raad deze uitspraak vernietigd en het beroep tegen het besluit van 11 maart 2019 ongegrond verklaard.
2. Verzoeker heeft ter zitting zijn verzoek om herziening toegelicht en heeft in dit verband als nieuwe feiten en omstandigheden genoemd het feit dat artikel 54b aan het Barp is toegevoegd en de inwerkingtreding van de op artikel 54b van het Barp gebaseerde Regeling volledige schadevergoeding beroepsincidenten, een brief van de Belastingdienst van 8 september 2021 en een beslissing van het UWV van 15 februari 2022 over de wijziging van de WIA-uitkering van verzoeker per 20 november 2019.
3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
3.1.
Ingevolge artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak;
b. de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
3.2.
Voorop staat dat naar vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van 11 september 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2791) het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening niet gegeven is om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als bedoeld in rechtsoverweging 3.1, een hernieuwde discussie te voeren over de betrokken zaak en evenmin om een discussie over de betrokken uitspraak te openen.
In beginsel kunnen slechts aangelegenheden van feitelijke aard tot herziening leiden. Dit kan alleen indien is voldaan aan de strikte voorwaarden van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb.
3.3.
Naar het oordeel van de Raad leveren de door verzoeker genoemde feiten en omstandigheden geen feiten en omstandigheden op als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb. Artikel 54b van het Barp is met ingang van 1 januari 2017 in werking getreden (Stb. 2016, 489). De Regeling volledige schadevergoeding beroepsincidenten is op 22 december 2018 inwerking getreden met een terugwerkende kracht tot 1 januari 2017 (Stcrt. 2018, 72644). Dit was verzoeker dan ook vóór de uitspraak bekend of had hem redelijkerwijs bekend kunnen zijn. Dat de Regeling, zoals verzoeker heeft betoogd, met ingang van 1 juli 2021 is gewijzigd, kan daar op geen enkele wijze aan afdoen, omdat deze wijziging alleen ziet op het punt van de hoogte van kosten voor een raadsman (Stcrt. 2021, 31178). Verder dateert de brief van de Belastingdienst van na de uitspraak van de Raad van 2 september 2021. Voor zover verzoeker heeft gesteld dat de inhoud daarvan ziet op de aan verzoeker in december 2016 uitgekeerde smartengelduitkering, gaat de brief van de belastingdienst alleen over de fiscale aspecten van de in december 2016 uitgekeerde smartengelduitkering en het in 2018 uitgekeerde “voorschot ongevallenuitkering”. Deze fiscale aspecten hebben geen betrekking op de inhoud van besluitvorming die heeft geleid tot de uitspraak van de Raad van 2 september 2021. De inhoud van de brief van de Belastingdienst zou dan ook niet tot een andere uitspraak hebben kunnen leiden. Dit geldt eveneens voor het besluit van het Uwv van 15 februari 2022. De daarin genoemde mate van arbeidsongeschiktheid is ongewijzigd ten opzichte van de mate van arbeidsongeschiktheid zoals bekend voorafgaand aan de uitspraak van de Raad en de vraag of verzoeker al dan niet duurzaam arbeidsongeschikt is heeft evenmin betrekking op de inhoud van die besluitvorming. Ook dit zou dan ook niet tot een andere uitspraak hebben kunnen leiden.
3.4.
Uit wat verzoeker verder heeft aangevoerd blijkt dat hij in feite beoogt een hernieuwde discussie over de zaak en de uitspraak van de Raad van 2 september 2021 te voeren. Uit wat in 3.2 is overwogen volgt dat het middel van herziening daar niet toe kan strekken.
3.5.
Uit wat in 3.3 en 3.4 is overwogen volgt dat het verzoek om herziening moet worden afgewezen.
4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman, in tegenwoordigheid van L.C. van Bentum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2022.
(getekend) J.T.H. Zimmerman
(getekend) L.C. van Bentum