Uitspraak
21.4223 AW
.
Centrale Raad van Beroep
Verzoeker heeft een verzoek om herziening ingediend tegen een eerdere uitspraak van de Centrale Raad van Beroep waarin het beroep tegen een besluit van de korpschef van politie over een smartengelduitkering op grond van artikel 54a Barp ongegrond werd verklaard.
De Raad overwoog dat herziening slechts mogelijk is op basis van nieuwe feiten en omstandigheden die voor de uitspraak niet bekend waren en die tot een andere uitspraak hadden kunnen leiden. Verzoeker voerde onder meer aan dat de toevoeging van artikel 54b Barp, een gewijzigde regeling en recente correspondentie met de Belastingdienst en het UWV nieuwe feiten zouden zijn.
De Raad oordeelde dat deze feiten en omstandigheden niet nieuw waren of niet tot een andere uitspraak konden leiden. De wijzigingen en correspondentie waren bekend of hadden redelijkerwijs bekend kunnen zijn vóór de uitspraak, en hadden geen betrekking op de inhoudelijke besluitvorming. Het verzoek om herziening werd daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om herziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten en omstandigheden die tot een andere uitspraak hadden kunnen leiden.