ECLI:NL:CRVB:2022:2055
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen herroeping ontslag wegens plichtsverzuim
Betrokkene is op 31 december 2019 met onmiddellijke ingang ontslagen wegens ernstig plichtsverzuim. Dit ontslag is gehandhaafd bij een besluit van 29 mei 2020. De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 22 maart 2022 het ontslag vernietigd en het besluit herroepen, omdat de opgelegde straf onevenredig werd geacht aan de ernst van het plichtsverzuim.
De Minister van Binnenlandse Zaken heeft daarop bij de Centrale Raad van Beroep een verzoek om voorlopige voorziening ingediend om de uitspraak van de rechtbank te schorsen totdat het hoger beroep is afgerond. De Minister stelt dat het ontslag niet onevenredig is en dat er een redelijke kans is dat het hoger beroep het ontslag zal bevestigen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek afgewezen. Uit de medische gegevens en een aanvullend psychiatrisch rapport blijkt dat er aanwijzingen zijn dat betrokkene gedragsproblemen heeft die het plichtsverzuim kunnen verklaren. Hierdoor acht de voorzieningenrechter het niet aannemelijk dat de uitspraak van de rechtbank zal worden vernietigd in hoger beroep. Er is daarom geen aanleiding om de voorlopige voorziening te treffen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de vernietiging van het ontslag wegens ernstig plichtsverzuim is afgewezen.