ECLI:NL:CRVB:2022:2059
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd in hoger beroep AOW-uitspraak
In deze zaak heeft appellante hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Overijssel inzake een AOW-gerelateerd geschil. De aangevallen uitspraak betreft een beslissing op verzet tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank, zoals bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De Centrale Raad van Beroep overweegt dat op grond van artikel 8:104, tweede lid, Awb, tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, Awb in principe geen hoger beroep mogelijk is. Uitzondering hierop bestaat alleen indien sprake is van een ernstige schending van de eisen van een goede procesorde of fundamentele rechtsbeginselen, waardoor een eerlijke en onafhankelijke behandeling niet meer kan worden gegarandeerd.
Appellante heeft aangevoerd dat dergelijke ernstige schendingen zich zouden hebben voorgedaan, maar de Raad oordeelt dat deze gronden onvoldoende zijn om de uitzondering toe te passen. Daarom verklaart de Centrale Raad van Beroep zich onbevoegd om kennis te nemen van het hoger beroep en wijst het beroep zonder verdere inhoudelijke behandeling af.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in aanwezigheid van griffier D.W.M. Kaldenhoven, en op 15 september 2022 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het hoger beroep en wijst het beroep af.