ECLI:NL:CRVB:2022:2077
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot terugkomen van in rechte vaststaand WIA-besluit wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellant, voormalig vakredacteur, meldde zich ziek met psychische klachten en kreeg in 2013 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend wegens 74,40% arbeidsongeschiktheid. Na diverse besluiten en bezwaarprocedures werd in 2018 zijn arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 100% en kreeg hij een IVA-uitkering toegekend. Appellant verzocht in oktober 2018 om herziening van het besluit van 2013, stellende dat er per einde wachttijd al sprake was van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid en dat de eerdere vaststelling op onjuiste gronden was gebaseerd.
Het UWV weigerde terug te komen op het besluit van 2013, omdat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren. De rechtbank Limburg verklaarde het beroep van appellant ongegrond en stelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de nieuwe medische stukken geen nieuw inzicht boden. In hoger beroep voerde appellant aan dat de samenhang tussen niet aangeboren hersenletsel (NAH) en een premorbide persoonlijkheidsstoornis een nieuw feit vormde en dat het dossieronderzoek onvoldoende was.
De Centrale Raad van Beroep volgde het oordeel van de rechtbank en het UWV. De Raad oordeelde dat het dossieronderzoek zorgvuldig was en dat de medische problematiek inclusief de samenhang tussen NAH en persoonlijkheidsstoornis reeds in 2013 was meegewogen. De nieuwe medische stukken gaven geen aanleiding tot een ander oordeel. Ook het beroep op evident onredelijkheid werd verworpen. De Raad bevestigde daarmee het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak.
Uitkomst: Het verzoek om terug te komen van het in rechte vaststaande besluit van 29 juli 2013 wordt afgewezen.