ECLI:NL:CRVB:2022:215
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging schuldige nalatigheid AOW-premies over 2003-2007 ondanks termijnoverschrijding bezwaar
Appellant werd door de Sociale verzekeringsbank (Svb) schuldig nalatig verklaard voor het niet betalen van AOW-premies over de jaren 2003 tot en met 2007. De Svb stelde vast dat appellant niet was ingeschreven in de Gemeentelijke basisadministratie (GBA) tussen 2010 en 2013, waardoor bekendmaking van besluiten bemoeilijkt werd. Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten, maar dit werd ongegrond verklaard en het bezwaar tegen het besluit van 24 februari 2016 werd niet-ontvankelijk verklaard vanwege te late indiening.
De rechtbank bevestigde deze besluiten, waarna appellant hoger beroep instelde. In hoger beroep stelde appellant dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was vanwege persoonlijke omstandigheden en dat de Belastingdienst onterecht hoge aanslagen had vastgesteld. De Raad oordeelde dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was omdat appellant niet geheel onbekwaam was om bezwaar in te dienen of hulp in te roepen.
Verder stelde de Raad vast dat het wettelijke kader voor de jaren 2003-2005 onjuist was toegepast, maar dat dit niet tot vernietiging van de uitspraak leidde omdat de inhoudelijke bepalingen overeenkomen. De Raad concludeerde dat appellant terecht schuldig nalatig is verklaard omdat hij de bekendmaking van de besluiten heeft bemoeilijkt door niet ingeschreven te staan in de GBA, wat de wetgever expliciet wil voorkomen.
Het verzoek van appellant om getuigen te horen werd afgewezen omdat de getuigenverklaringen niet relevant waren voor de beoordeling van de schuldige nalatigheid. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Bezwaar tegen het besluit van 24 februari 2016 is niet-ontvankelijk en appellant is terecht schuldig nalatig verklaard over 2003-2007.