ECLI:NL:CRVB:2022:2601

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 december 2022
Publicatiedatum
1 december 2022
Zaaknummer
22 / 830 AOW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:108 AwbArt. 8:57 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking hoger beroep na tegemoetkoming Sociale Verzekeringsbank in bezwaren appellant

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam inzake een AOW-zaak. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) heeft op 30 mei 2022 een herziene beslissing op bezwaar genomen, waarmee zij tegemoet is gekomen aan de bezwaren van appellant.

Naar aanleiding hiervan heeft appellante het hoger beroep ingetrokken en verzocht om veroordeling van de Svb in de proceskosten. De Svb heeft geen verweerschrift ingediend. De Raad heeft het onderzoek zonder zitting gesloten op grond van artikel 8:57 Awb Pro.

De Raad overweegt dat op grond van artikel 8:75a Awb het bestuursorgaan veroordeeld kan worden in de kosten indien het tegemoet is gekomen aan de bezwaren. De Svb heeft toegezegd de kosten voor rechtsbijstand in de bezwaarfase te vergoeden. De Raad veroordeelt de Svb in de proceskosten voor behandeling van beroep en hoger beroep, begroot op € 2.277,-.

De uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in aanwezigheid van griffier D. van der Boom, en is uitgesproken in het openbaar op 1 december 2022.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep veroordeelt de Sociale Verzekeringsbank in de proceskosten van appellant na intrekking van het hoger beroep wegens tegemoetkoming in bezwaren.

Uitspraak

Datum uitspraak: 1 december 2022
22/830 AOW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
1 februari 2022, 21/4839 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] e/v [betrokkene] te [betrokkene] (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S.L. Soedamah, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft op 30 mei 2022 een herziene beslissing op bezwaar genomen.
Bij brief van 9 juni 2022 heeft mr. S.L. Soedamah namens appellante het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht de Svb te veroordelen in de proceskosten.
De Svb heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Onder toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Namens appellante is het hoger beroep ingetrokken omdat de Svb met de herziene beslissing op bezwaar van 30 mei 2022 aan de bezwaren van appellant is tegemoetgekomen. Tevens geeft de Svb aan de kosten voor verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase te vergoeden, te weten € 541,-.
De Raad ziet aanleiding de Svb te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.518,- in beroep en € 759,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.
Voor vergoeding van het betaalde griffierecht kan appellant zich rechtstreeks tot de Svb wenden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep veroordeelt de Svb in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.277,-.
Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in tegenwoordigheid van
D. van der Boom als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op
1 december 2022.
(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum
(getekend) D. van der Boom