ECLI:NL:CRVB:2022:2640
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij intrekking bijstand wegens oncontroleerbare inkomsten
Verzoeker ontvangt sinds 2013 bijstand en was tijdelijk ontheven van arbeidsverplichting vanwege medische redenen. Het college ontdekte dat verzoeker pianolessen aanbood en inkomsten had, waarop de bijstand werd opgeschort en uiteindelijk ingetrokken met terugvordering van betaalde bedragen.
De rechtbank verklaarde het beroep van verzoeker tegen deze besluiten ongegrond. Verzoeker stelde hoger beroep in en vroeg tevens een voorlopige voorziening, die werd afgewezen omdat geen spoedeisend belang bestond.
De voorzieningenrechter overwoog dat verzoeker zelf om uitstel van de hoofdzaak had gevraagd en sinds intrekking van de bijstand in staat was zonder aanvullende bijstand in zijn levensonderhoud te voorzien. Hierdoor was geen reden om de hoofdzaak niet af te wachten.
Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen zonder toekenning van proceskosten.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van een spoedeisend belang.