Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet en heeft van maart tot april 2018 een proefplaatsing bij een werkgever gehad met behoud van bijstand. Het college legde een maatregel op door de bijstand met 100% te verlagen voor de duur van een maand, omdat appellant geen arbeidsovereenkomst voor 40 uur per week had verkregen na de proefplaatsing.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de proefplaatsing niet als algemeen geaccepteerde arbeid kan worden aangemerkt en dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat appellant de verplichting tot het verkrijgen, aanvaarden of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid heeft geschonden. Daarnaast ontbrak een toereikende feitelijke grondslag voor de bewering dat appellant het verkrijgen van arbeid zou hebben belemmerd.
Daarom vernietigt de Raad het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, verklaart het beroep gegrond en herroept het besluit van het college. Tevens wordt het college veroordeeld in de proceskosten van appellant.