ECLI:NL:CRVB:2022:2702
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toekenning WGA-vervolguitkering bij arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80 procent
Appellant was werkzaam als meewerkend voorman magazijn en ontving een WGA-uitkering vanwege arbeidsongeschiktheid. Na een melding van toegenomen klachten stelde het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid vast op 35 tot 45%, wat appellant betwistte. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij het verzekeringsgeneeskundig onderzoek en de arbeidsdeskundige beoordeling als zorgvuldig werden beoordeeld.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn mentale en fysieke beperkingen onderschat waren, onderbouwd met medische stukken en klachten zoals gehoorverlies en medicijngebruik. Het UWV wijzigde zijn standpunt en erkende een hogere mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%, gebaseerd op een aangepaste Functionele Mogelijkhedenlijst en een hernieuwde arbeidskundige beoordeling.
De Raad oordeelde dat de nieuwe beoordeling zorgvuldig en gemotiveerd was, inclusief de geschiktheid van de geselecteerde functies ondanks gehoorproblemen en beperkingen. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, eerdere besluiten vernietigd en de WGA-vervolguitkering toegekend met een resterende verdiencapaciteit van € 1.134,78 per maand. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Appellant krijgt een WGA-vervolguitkering toegekend op basis van 65 tot 80% arbeidsongeschiktheid en het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten.