ECLI:NL:CRVB:2022:271
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet-melding gokactiviteiten
Appellante ontvangt sinds 2005 bijstand en werd onderzocht in het kader van het Heronderzoek PW 2019 vanwege vermoedens van niet-gemelde gokactiviteiten. Uit bankafschriften bleek dat zij meerdere pinbetalingen bij gokinstellingen had gedaan, wat zij ook schriftelijk bevestigde.
Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam trok bij besluiten de bijstand over de maanden augustus, september en november 2018 en juni 2019 in en vorderde de kosten terug wegens niet-melding van gokactiviteiten en opbrengsten. De boete werd deels gehandhaafd. De intrekking over juni 2019 werd later ingetrokken omdat die maand geen gokactiviteiten aannemelijk waren.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond voor zover het de boete betrof en stelde deze lager vast. In hoger beroep betwistte appellante de intrekking en terugvordering over augustus, september en november 2018. De Raad oordeelde dat appellante onomstotelijk gokactiviteiten had verricht en haar inlichtingenverplichting had geschonden door geen inzicht te geven in de omvang van haar gokactiviteiten en opbrengsten.
Omdat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat zij recht op bijstand zou hebben gehad indien zij melding had gemaakt, kon het college het recht op bijstand niet vaststellen. De Raad bevestigde daarom de aangevallen uitspraak en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens niet-melding van gokactiviteiten en opbrengsten.