ECLI:NL:CRVB:2022:291
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor kosten bestuurderskaart wegens gebrek aan noodzakelijkheid
Appellant, die sinds 2013 bijstand ontvangt, vroeg bijzondere bijstand aan voor de kosten van een bestuurderskaart, noodzakelijk voor het besturen van vrachtwagens met een tachograaf. Het college wees dit af omdat de kosten niet noodzakelijk zouden zijn en appellant voldoende kansen zou hebben zonder deze kaart als chauffeur aan de slag te gaan.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en stelde vast dat het college een motiveringsgebrek had, maar dit werd gepasseerd omdat de afwijzing op andere gronden overeind bleef. In hoger beroep betoogde appellant dat hij recht had op bijzondere bijstand en dat hij procesbelang had vanwege de kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase.
De Raad oordeelde dat het procesbelang aanwezig is en dat de vergoeding van de code 95 nascholingscursus niet impliceert dat bijzondere bijstand voor de bestuurderskaart moet worden verleend. Het verzoek om getuigen te horen werd afgewezen wegens strijd met de goede procesorde. Appellant maakte niet aannemelijk dat de bestuurderskaart noodzakelijk is voor het verkrijgen van werk. Daarom werd het hoger beroep afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van bijzondere bijstand voor de bestuurderskaart bevestigd.