ECLI:NL:CRVB:2022:328
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens alleenstaande ouderenkorting
Appellant ontving bijstand vanaf 4 maart 2016 tot 20 juni 2017, waarna deze werd beëindigd vanwege het ontvangen pensioen. Het college vorderde bij besluit van 14 november 2018, gehandhaafd na bezwaar, een bedrag van €812,14 terug over de periode 1 januari 2017 tot 19 juni 2017, omdat appellant met terugwerkende kracht recht had op alleenstaande ouderenkorting.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De terugvordering is gebaseerd op artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de Participatiewet, dat terugvordering mogelijk maakt als de betrokkene later alsnog over middelen kan beschikken die aanvankelijk niet beschikbaar waren.
Appellant voerde aan dat de terugvordering onredelijk is en in strijd met het gelijkheidsbeginsel, en dat het college hem onvoldoende had geïnformeerd. De Raad oordeelt dat geen sprake is van onbillijkheid van overwegende aard en dat verschillen in gemeentelijk beleid zijn toegestaan. Ook is het college niet verplicht om bijstandsgerechtigden te informeren over mogelijke terugvordering bij later verkregen middelen.
Het hoger beroep wordt verworpen en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De terugvordering van bijstand wegens alleenstaande ouderenkorting wordt bevestigd en het hoger beroep van appellant wordt verworpen.