ECLI:NL:CRVB:2022:411

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 januari 2022
Publicatiedatum
2 maart 2022
Zaaknummer
20/1915 ZVW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbVerordening (EG) nr. 883/2004
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om vergoeding medische kosten handoperatie in Spanje afgewezen

Appellant, woonachtig in Spanje sinds 2013, verzocht CAK om vergoeding van medische kosten voor een handoperatie uit 2016. CAK wees dit verzoek af omdat appellant niet aannemelijk maakte dat CAK telefonisch had toegezegd deze kosten te vergoeden. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en verwierp zijn beroep op het vertrouwensbeginsel.

In hoger beroep herhaalde appellant zijn stelling dat CAK telefonisch een toezegging had gedaan, maar kon geen nieuwe bewijzen aandragen. De Raad onderschreef de gemotiveerde overwegingen van de rechtbank en concludeerde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat CAK een toezegging had gedaan. Ook het door appellant genoemde telefoonnummer bleek niet bij CAK in gebruik.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om vergoeding van medische kosten wordt afgewezen.

Uitspraak

20.1915 ZVW

Datum uitspraak: 27 januari 2022
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 maart 2020, 18/7087 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats], Spanje (appellant)

CAK

PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
CAK heeft een verweerschrift ingediend.
Onder toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.
Vanaf 1 januari 2017 oefent CAK in zaken als deze de bevoegdheden uit die voorheen door het Zorginstituut Nederland werden uitgeoefend. In deze uitspraak wordt onder CAK mede verstaan Zorginstituut Nederland.
1.2.
Appellant, geboren in 1966, woont sinds 2013 in Spanje. CAK heeft appellant op grond van Verordening (EG) nr. 883/2004 als verdragsgerechtigde aangemerkt, waardoor hij recht heeft op zorg in zijn woonland (Spanje) ten laste van Nederland. Hij is ingeschreven bij de INSS (Dirección Provincial del Instituta Nacional de la Secuguridad Social de [woonplaats]).
1.3.
Bij besluit van 13 augustus 2018 heeft CAK het verzoek van appellant om vergoeding van door hem in Spanje gemaakte medische kosten wegens een handoperatie in mei 2016 afgewezen.
1.4.
Bij besluit van 28 september 2018 (bestreden besluit) heeft CAK het bezwaar van appellant tegen het besluit van 13 augustus 2018 ongegrond verklaard. Hierbij heeft CAK het standpunt ingenomen dat de ingediende nota’s zullen worden vergoed door INSS overeenkomstig de in het woonlandpakket geldende voorwaarden. Uit de administratie van CAK is niet gebleken dat in week 31 van 2015 een telefoongesprek is gevoerd met appellant. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat CAK heeft toegezegd dat de in Spanje verrichte operatie vergoed zou worden.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank, voor zover van belang, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 31 december 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:4351, overwogen dat het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel niet slaagt, omdat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat CAK telefonisch de toezegging heeft gedaan dat de kosten van de handoperatie in Spanje zullen worden vergoed. Daarbij heeft de rechtbank verwezen naar de vastlegging van een reeks telefoongesprekken tussen appellant en CAK. Dat appellant in bewijsnood is komen te verkeren, doordat hij niet met zijn eigen telefoon kon bellen en daardoor in een internetcafé heeft gebeld en er geen registratie voorhanden is van de uitgaande gesprekken, dient voor rekening en risico van appellant te komen.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hierbij heeft hij aangevoerd dat CAK hem wel degelijk telefonisch heeft toegezegd de operatie te zullen vergoeden. Het is niet aannemelijk dat CAK geen enkele registratie heeft van door hem gevoerde gesprekken over vergoeding van de handoperatie. De omstandigheid dat hij zelf ook geen registratie kan overleggen van dergelijke gesprekken kan hem niet verweten worden, omdat hij via een internetcafé moest bellen om contact te kunnen maken.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Appellant heeft in hoger beroep geen wezenlijk nieuwe of andere gronden naar voren gebracht of redenen vermeld waarom de rechtbank tot een ander oordeel had moeten komen. Appellant heeft zich beperkt tot het herhalen van de in bezwaar en beroep aangevoerde gronden.
4.2.
De rechtbank heeft deze beroepsgrond in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en voldoende gemotiveerd waarom deze niet leidt tot een vernietiging van het bestreden besluit.
4.3.
De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank volledig en volstaat met een verwijzing daarnaar. De Raad maakt dan ook het oordeel waartoe de rechtbank op grond van deze overwegingen is gekomen tot het zijne en voegt daar het volgende aan toe. Ook in hoger beroep heeft appellant niet met concrete en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat (de rechtsvoorganger van) CAK de door hem gestelde toezegging heeft gedaan en uit de overigens aanwezige gegevens blijkt dat het door hem nader genoemde telefoonnummer niet een nummer betreft dat bij CAK in gebruik was.
4.4.
Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.P.A. Boersma, in tegenwoordigheid van D. Al-Zubaidi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2022.
(getekend) J.P.A. Boersma
(getekend) D. Al-Zubaidi