ECLI:NL:CRVB:2022:442
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep wegens kwijtschelding vordering
Appellante stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant inzake een vordering van het college van burgemeester en wethouders van Tilburg. Het college heeft vervolgens bij besluit de bestreden vordering kwijtgescholden. Naar aanleiding daarvan trok appellante het hoger beroep in en verzocht de Raad het college te veroordelen in de proceskosten.
Het college voerde aan dat de intrekking niet het gevolg was van een aan haar toe te rekenen onrechtmatigheid, maar vanwege een beleidsbesluit waarbij appellante als slachtoffer van de kinderopvangtoeslagaffaire werd aangemerkt. De Raad oordeelde echter dat het college met het besluit volledig tegemoet is gekomen aan het bezwaar van appellante, ongeacht de reden daarvoor.
De Raad stelde vast dat ook wanneer het tegemoetkomen niet direct verband houdt met de aangevoerde grieven, het risico van een proceskostenveroordeling bij het bestuursorgaan ligt. Daarom veroordeelde de Raad het college tot vergoeding van de door appellante gemaakte proceskosten in bezwaar, beroep en hoger beroep, begroot op in totaal € 3.738,50.
De uitspraak werd gedaan door E.C.R. Schut, in aanwezigheid van griffier K.R. van Renswoude, en uitgesproken op 22 februari 2022.
Uitkomst: Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellante ten bedrage van € 3.738,50.