Appellant, een voormalig fulltime puntlasser, kreeg sinds 2000 een WAO-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 25-35%. Na een nieuwe ziekmelding in 2016 en een herbeoordeling in 2018 handhaafde het UWV dit percentage. Appellant voerde aan dat hij volledig arbeidsongeschikt is vanwege ernstige fysieke en psychische klachten, waaronder chronische depressies en pijnklachten.
De rechtbank Limburg oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de functionele mogelijkheden van appellant juist waren vastgesteld. De arbeidsdeskundige had passende functies geselecteerd, wat leidde tot een verlies van verdienvermogen van 34%, passend bij de WAO-klasse 25-35%. Appellant bracht geen nieuwe arbeidskundige grieven naar voren.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten, maar bracht geen nieuwe medische gegevens in. De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerde dat de specialistische behandeling vanaf april 2019 geen aanleiding gaf tot een ander oordeel over de belastbaarheid per 14 september 2018. De latere volledige arbeidsongeschiktheid per 31 oktober 2019 bood onvoldoende grond om het eerdere medische oordeel te wijzigen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom het bestreden besluit en wees het verzoek tot schadevergoeding af. Er was geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.