ECLI:NL:CRVB:2022:520

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 maart 2022
Publicatiedatum
11 maart 2022
Zaaknummer
21/3340 PW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:108 AwbArt. 6:24 AwbArt. 6:7 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens niet-tijdige indiening beroepschrift

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 29 juli 2021. De Centrale Raad van Beroep heeft vastgesteld dat het beroepschrift niet tijdig is ingediend. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedroeg zes weken na verzending van de aangevallen uitspraak, welke op 29 juli 2021 is toegezonden. De uiterste dag voor het indienen van het beroepschrift was 9 september 2021, maar het beroepschrift werd pas op 10 september 2021 digitaal ontvangen.

Daarnaast is appellant meerdere malen gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht van €134,-, met een uiterste betaaldatum, maar het griffierecht is niet binnen de gestelde termijn voldaan. Appellant heeft ook niet gereageerd op een verzoek om opgave van redenen voor de termijnoverschrijding.

Op grond van deze feiten oordeelt de Raad dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is wegens niet-tijdige indiening en niet-betaling van het griffierecht. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in aanwezigheid van griffier K.R. van Renswoude, en uitgesproken op 8 maart 2022.

Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-tijdige indiening van het beroepschrift en niet-betaling van het griffierecht.

Uitspraak

Datum uitspraak: 8 maart 2022
21/3340 PW, 21/3341 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
29 juli 2021, 21/1074 en 21/1911 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

OVERWEGINGEN

In artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift een griffierecht wordt geheven. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Bij brief van 7 oktober 2021 is appellant erop gewezen dat een griffierecht van € 134,- is verschuldigd, en is medegedeeld dat dit bedrag uiterlijk 28 dagen na de dag van verzending van de brief op de in die brief genoemde bankrekening moet zijn bijgeschreven.
Bij aangetekende brief van 7 november 2021 is appellant nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is medegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de datum van deze brief op de in die brief genoemde bankrekening dient te zijn bijgeschreven dan wel contant moet zijn betaald op het bezoekadres van de Raad. Daarbij is erop gewezen dat als het griffierecht niet tijdig wordt betaald, appellant er rekening mee moet houden dat het (hoger) beroep niet inhoudelijk behandeld zal worden.
Het griffierecht is niet binnen de termijn betaald.
Voorts geldt in artikel 6:24 van Pro de Awb in samenhang met de artikelen 6:7, 6:8, 6:9 en 6:11 van die wet het volgende.
De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken. Deze termijn gaat in op de dag na die waarop de aangevallen uitspraak door middel van de toezending van een afschrift aan partijen is bekendgemaakt.
Een beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Bij verzending per post is een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.
De uitspraak waartegen hoger beroep is ingesteld is op 29 juli 2021 in afschrift aan partijen toegezonden. De laatste dag waarop tijdig hoger beroep kon worden ingediend, was
9 september 2021. De aangevallen uitspraak, verzonden op 29 juli 2021, is retour ontvangen bij de rechtbank Rotterdam onder vermelding van “niet afgehaald”. Op 18 augustus 2021 heeft de rechtbank Rotterdam nogmaals een afschrift van de aangevallen uitspraak aan appellant per gewone post toegestuurd. Daarbij is appellant er op gewezen dat met deze tweede verzending van de aangevallen uitspraak geen verandering brengt in de termijn voor het instellen van hoger beroep.
Het beroepschrift is op 10 september 2021 digitaal ontvangen. De laatste dag om tijdig hoger beroep in te stellen was 9 september 2021.
Op grond hiervan moet worden geoordeeld dat het beroepschrift niet tijdig is ingediend.
Ten aanzien van een na afloop van de beroepstermijn ingediend beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
Bij brief van 8 oktober 2021 is aan appellant gevraagd naar de reden van de termijnoverschrijding.
Appellant heeft daarop niet geantwoord.
Ten aanzien van beide hiervoor genoemde onderwerpen kan op grond van de beschikbare gegevens redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van K.R. van Renswoude als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2022.
(getekend) E.C.R. Schut
(getekend) K.R. van Renswoude
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.