Uitspraak
21.669 WSF
OVERWEGINGEN
.
.
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving studiefinanciering op basis van de norm voor een uitwonende studerende, terwijl de minister op grond van een huisbezoek concludeerde dat zij feitelijk als thuiswonende studerende moest worden aangemerkt. De minister herzag de studiefinanciering met terugwerkende kracht en vorderde een bedrag van €1.889,73 terug.
De rechtbank Oost-Brabant verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat het onderzoek zorgvuldig was en dat er onvoldoende bewijs was dat appellante daadwerkelijk op het brp-adres woonde. Tijdens het huisbezoek werden nauwelijks persoonlijke spullen van appellante aangetroffen, hetgeen niet strookte met een hoofdverblijf van bijna twee jaar.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat de culturele achtergrond en omstandigheden onvoldoende in acht waren genomen. Zij stelde dat zij haar kamer deelde en dat persoonlijke spullen elders waren opgeborgen. De Raad oordeelde echter dat het rapport van de controleurs een voldoende feitelijke grondslag bood en dat aanvullend onderzoek niet noodzakelijk was.
De Raad vond de stellingen van appellante niet geloofwaardig en concludeerde dat de afwezigheid van persoonlijke spullen en studiemateriaal niet te verklaren viel door haar omstandigheden. Ook werd onvoldoende bewijs geleverd voor de bewering dat zij een bijdrage betaalde voor het huishouden. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Er werden geen proceskosten opgelegd. De uitspraak werd gedaan door H.J. de Mooij, in aanwezigheid van griffier E.J. van der Veldt op 9 maart 2022.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van de studiefinanciering en de terugvordering wegens het niet woonachtig zijn op het brp-adres.