ECLI:NL:CRVB:2022:606
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijzondere bijstand wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijzondere bijstand voor bewindvoering, maar het college stelde vast dat zij vanaf 1 juni 2018 een gezamenlijke huishouding voerde met de vader van haar kind, X. Hierdoor kon zij niet als ongehuwde worden beschouwd en had zij geen zelfstandig recht op bijzondere bijstand. Het college trok de bijstand daarom met terugwerkende kracht in en vorderde het bedrag terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep betoogde appellante dat het college wegens dringende redenen had moeten afzien van terugvordering, omdat X hulpbehoevend was na een ernstig ongeluk en zij hem verzorgde, en dat terugvordering onaanvaardbare financiële gevolgen had. De Raad oordeelde dat hoewel de hulpbehoevendheid niet werd betwist, appellante onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat terugvordering onaanvaardbare gevolgen had.
De Raad nam ook mee dat appellante een betalingsregeling had getroffen en het bedrag uiteindelijk in één keer had afgelost. De situatie van appellante werd erkend als belastend, maar vormde geen grond om af te zien van terugvordering. Het hoger beroep werd daarom verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de intrekking en terugvordering van bijzondere bijstand bevestigd.